Het heeft even geduurd, maar deze zaterdag heb ik de tijd gevonden om naar het nationale fotomuseum in Rotterdam te gaan. Ik voel me er direct thuis. Het is prettig hoe het pakhuis – wat toch een distributiecentrum van vroeger is – tot leven is gewekt.
Na binnenkomst word ik direct overweldigd door de overdosis aan foto’s die op me af komt. Ik zie gelukkig weinig tekst: een goed beeld behoeft geen essay.
Op een tussenwand van een meter of twee in een verder metershoge zaal hangen foto’s van het Rotterdam van vlak na het bombardement. Gaza is niet nieuw, bedenk ik. De inrichting van de zaal doet me denken aan de spoedopvang voor asielzoekers: wandjes geven de illusie van intimiteit maar ondertussen hoor ik iedereen in de hal in een grote kakofonie tegen elkaar kletsen. Ik schrik als er een meisje van een jaar of veertien uit een kader stapt. Even denk ik dat een foto tot leven is gekomen, maar dan zie ik de decoratieve gaten die in de tussenwand zijn aangebracht.
Een paneel verder hangen zes keer acht pasfoto’s van Anne Frank . Anne met vrolijke blikken. Ze lacht zo veel dat de kiekjes nu niet toegelaten zouden worden voor een paspoort. Zouden dit originelen zijn of kopieën? Hoe werkt dat eigenlijk bij fotografie in een museum? Die kan je toch eindeloos opnieuw afdrukken? En is het dan nog wel kunst?
Overprikkeld door beelden sta ik later in de betonnen kelder. Ik pak mijn tas uit een kluisje dat nog niet op slot kan. Ter afsluiting plak ik mijn entreesticker bij de velen voor mij op een betonnen muur. Wij kijken niet alleen kunst, we maken het ook zelf.